Lezingenarchief
Dinsdag 22 juni 2010 - 19.30 uur
Lezing: De smaak van de 19de eeuw - door Harold Bos
Harold D.E. Bos, kunsthistoricus (RUL) heeft zich gespecialiseerd in de wooncultuur in Nederland.
De lezing geeft een beeld van de wooncultuur met enkele voorbeelden uit Alkmaar. Er wordt ingegaan op de ontwikkeling en inrichting van het ‘gegoede' woonhuis in de negentiende eeuw, gerelateerd aan maatschappelijke en sociale ontwikkelingen.
Van het ‘gegoede' woonhuis zijn huizen, meubelen en soms delen van het interieur bewaard gebleven. De welgestelde burgerij; bankier, arts, rechtelijke macht en kooplieden woonde in ruime huizen. De kleine Burgerij (de fatsoenlijke stand) bestond voornamelijk uit ambtenaren, kantoorpersoneel, kleine ondernemers en in de tweede helft van de eeuw winkeliers (middenstanders). Zij woonden in eenvoudiger huizen. Van de armen is vrijwel niets bewaard gebleven.
Aan het begin van de negentiende eeuw, het Empire (Napoleon) 1800-1815 en het vroeg Biedermeier ca. 1815-1830 waren de huizen sober ingericht. Het meubilair was fraai maar spaarzaam. Het midden van de ruimte was leeg. De meubelen stonden symmetrisch langs de wanden. Omstreeks de jaren ‘40 ontstaat de mode om meubelen in de ruimte te plaatsen, het interieur wordt gezelliger en minder plechtstatig. Rond het midden van de eeuw komen verschillende neostijlen in zwang en krijgt de salon een losse gearrangeerde uitstraling. Het interieur wordt niet allen voller maar ook donkerder, rond 1870/80 neemt ook de stoffering toe in de vorm van zware gordijnen met kappen, portierés (deurgordijnen), bonte tapijten en geheel beklede meubelen. Allerlei decoratieve accessoires raken in zwang onder andere ingegeven door damesbladen voor ‘de gegoede stand' zoals ‘de Gracieuze'.

Interieur met 19e eeuwse meubelen afkomstig van de Alkmaarse (meubelmakers) familie Pot/ Collectie Huys Auerhaen,Wilhelminalaan Alkmaar
Dinsdag 25 mei 2010 - 19.30 uur
Lezing: Alkmaarse Hofjes - door Jurjen Vis en Carolien Roozendaal (eerder gegeven in maart)
Alkmaar is na Amsterdam, Haarlem en Leiden de vierde hofjesstad van Nederland. Veel hofjes zijn in de loop der eeuwen verdwenen, maar er is nog altijd een aantal zeer interessante hofjes over. Sommige nog volop in gebruik en dat zal - naar verwachting - niet ophouden. Verschillende Alkmaarse hofjes en provenhuizen gaan verscholen achter een sobere gevel, andere zijn in volle glorie gelegen aan de gracht... maar allemaal hebben ze hun eigen bijzondere geschiedenis.
Hofjes werden vaak gesticht door rijke particulieren om onderdak en onderhoud te bieden aan oude, verarmde familieleden en geloofsgenoten... en om hun naam te laten voortbestaan; veel hofjes zijn vernoemd naar hun weldoener(s) en gesticht met geld uit hun nalatenschap. Het meest bekende Alkmaarse voorbeeld is het Wildemanshof, dat over niet al te lange tijd zijn 300-jarig jubileum viert. Dit heugelijke feit is aanleiding voor een op handen zijnde grote publicatie: een boek over de Alkmaarse hofjes. Door alle hofjes tezamen te beschrijven ontstaat meer zicht op het eigen karakter van de Alkmaarse hofjes.
Carolien Roozendaal, gemeentelijk bouwhistorica, neemt u mee in een virtuele wandeling langs de nog bestaande en verdwenen hofjes. Achter welke gevels zijn de hofjes ‘verborgen'? En bestaat er zoiets als een typisch Alkmaars hofje?
De Alkmaars-Amsterdamse historicus Jurjen Vis, auteur van verschillende boeken over de Alkmaarse geschiedenis, specialist op het gebied van ouderenzorg in het verleden, hoofdauteur van de Alkmaarse stadsgeschiedenis (2007) en auteur van het Alkmaarse hofjesboek in wording, verplaatst zich in het hofjesleven in het verleden. Hij probeert te kruipen in de huid van de stichters, bestuurders en bewoners. Daarbij vergelijkt hij Alkmaarse hofjes met hofjes elders, met name in Amsterdam. Hoe leefden de bewoners en welke regels moesten zij in acht nemen om op zo'n prachtige plek te mogen wonen? Wat was de meerwaarde, wat waren de schaduwzijden? In hoeverre verschilde een hofje van bijvoorbeeld het Diakoniehuis of - nog erger - van het Tuchthuis? Het is duidelijk dat ons beeld van het hofjesleven is geromantiseerd. Om het dagelijks leven in beeld te brengen moeten we de diepte in. Dat gaat nu gebeuren....
(Hofje van Splinter, detail, collectie Regionaal Archief Alkmaar)
Dinsdag 27 april 2010- 19.30 uur
Lezing: Luchtoorlog boven Noord-Holland in de WOII
door Hans Nauta
Eén van de belangrijkste facetten van de luchtoorlog boven Noord-Kennemerland vormt het voormalig Vliegveld Bergen. Dit van oorsprong Nederlands vliegveld werd door de Duitse Luftwaffe gebruikt als dag- en vooral nachtjagerbasis. Ondanks dat het vliegveld in 1944 onklaar werd gemaakt voor verder gebruik zou dit veld nog een belangrijke rol gaan spelen tijdens de voedseldroppingen in mei 1945. 
In de lezing wordt ook aandacht besteed aan andere aspecten van de luchtoorlog, zoals de luchtaanvallen in de omgeving, bijzonderheden betreffende bepaalde vliegtuigcrashes en Duitse radarposten aan de kust. Tevens komen wat minder bekende onderwerpen aan bod zoals luchtfoto's van de regio en de V-1 startbanen in de duinen.
De lezing wordt ondersteund door een grote hoeveelheid beeldmateriaal in de vorm van unieke (lucht)foto's en stukjes filmmateriaal van onder andere de beschieting van de gasfabriek van Alkmaar in 1944 en de voedseldroppingen in 1945 op Vliegveld Bergen. Hans Nauta doet al meer dan 25 jaar gedetailleerd onderzoek in binnen- en buitenlandse archieven naar alle aspecten van de luchtoorlog boven Noord-Holland. Start lezing 19.30 uur (pauze 15 min. voor koffie/thee), einde ca. 21.30 uur

Langestraat te Alkmaar tijdens de bevrijding
Dinsdag 23 maart 2010 (helaas al uitverkocht!)
Lezing: Alkmaarse Hofjes
door Jurjen Vis en Carolien Roozendaal (eerder gegeven in maart)
Alkmaar is na Amsterdam, Haarlem en Leiden de vierde hofjesstad van Nederland. Veel hofjes zijn in de loop der eeuwen verdwenen, maar er is nog altijd een aantal zeer interessante hofjes over. Sommige nog volop in gebruik en dat zal - naar verwachting - niet ophouden. Verschillende Alkmaarse hofjes en provenhuizen gaan verscholen achter een sobere gevel, andere zijn in volle glorie gelegen aan de gracht... maar allemaal hebben ze hun eigen bijzondere geschiedenis.
Hofjes werden vaak gesticht door rijke particulieren om onderdak en onderhoud te bieden aan oude, verarmde familieleden en geloofsgenoten... en om hun naam te laten voortbestaan; veel hofjes zijn vernoemd naar hun weldoener(s) en gesticht met geld uit hun nalatenschap. Het meest bekende Alkmaarse voorbeeld is het Wildemanshof, dat over niet al te lange tijd zijn 300-jarig jubileum viert. Dit heugelijke feit is aanleiding voor een op handen zijnde grote publicatie: een boek over de Alkmaarse hofjes. Door alle hofjes tezamen te beschrijven ontstaat meer zicht op het eigen karakter van de Alkmaarse hofjes.
Carolien Roozendaal, gemeentelijk bouwhistorica, neemt u mee in een virtuele wandeling langs de nog bestaande en verdwenen hofjes. Achter welke gevels zijn de hofjes ‘verborgen'? En bestaat er zoiets als een typisch Alkmaars hofje?
De Alkmaars-Amsterdamse historicus Jurjen Vis, auteur van verschillende boeken over de Alkmaarse geschiedenis, specialist op het gebied van ouderenzorg in het verleden, hoofdauteur van de Alkmaarse stadsgeschiedenis (2007) en auteur van het Alkmaarse hofjesboek in wording, verplaatst zich in het hofjesleven in het verleden. Hij probeert te kruipen in de huid van de stichters, bestuurders en bewoners. Daarbij vergelijkt hij Alkmaarse hofjes met hofjes elders, met name in Amsterdam. Hoe leefden de bewoners en welke regels moesten zij in acht nemen om op zo'n prachtige plek te mogen wonen? Wat was de meerwaarde, wat waren de schaduwzijden? In hoeverre verschilde een hofje van bijvoorbeeld het Diakoniehuis of - nog erger - van het Tuchthuis? Het is duidelijk dat ons beeld van het hofjesleven is geromantiseerd. Om het dagelijks leven in beeld te brengen moeten we de diepte in. Dat gaat nu gebeuren....
(Hofje van Splinter, detail, collectie Regionaal Archief Alkmaar)
Dinsdag 23 februari 2010
Met de hond en de hondenkar terug in de historie - Nostalgie met een verdwenen transportmiddel
door Bert Willemen
Op 23 februari aanstaande geeft onderzoeker, verzamelaar en hondenkarspecialist Bert Willemen een lezing over een verdwenen transportmiddel: de hondenkar. In zijn lezing vertelt hij aan de hand van een speciale powerpointpresentatie, uitvergroote historische foto's, publicaties en diverse voorwerpen, hoe men tussen 1850 en 1962 in vele verschillende beroepsgroepen gebruik maakte van een hond en kar als transportmiddel. De hondenkar werd ook ingezet bij de posterijen, in het leger, in de kunst en in de reclame.
Tot ver in de jaren '20 van de vorige eeuw kwam de hondenkar vrij algemeen voor. De trekkracht van de hond bleek de mens goed van dienst te kunnen zijn. Ingespannen voor-, onder- of achter de kar liet de mens de hond voor hem werken. Hondenkarren waren onder meer populair bij bakkers, boeren, groenteboeren, kruideniers, looiers, marskramers, melkventers, petroleumventers en slagers.
Je mocht niet zomaar met een hondenkar rijden. Men had een vergunning nodig ingevolge de 'Trekhondenwet van 1910'. In de praktijk kwam het regelmatig voor dat de eigenaren het niet zo nauw namen met deze wet. Vanaf de jaren '30 verdwijnt de hondenkar meer en meer uit het straatbeeld. In 1961 werd het houden van een trekhond wettelijk verboden en werden de laatste 32 honden in dienst van hun baas voorgoed uitgespannen.
Dinsdag 26 januari 2010 - 19.30 uur
De Noord-Hollandse droogmakerijen in de Gouden Eeuw- Aanpak, kosten en baten
door Han van Zwet
In de eeuwenlange strijd van onze voorouders tegen het water wordt het droogleggen van de grote Noord-Hollandse meren in de zeventiende eeuw nog altijd als een verbluffend staaltje van gedurfd ondernemerschap en technisch vakmanschap gezien. Op basis van een onlangs afgerond onderzoek
gaat Han van Zwet in op de bij de bedijkingen gevolgde aanpak en de problemen waar de bedijkers
tegen aanliepen. Hij laat tevens zien waarom de bedijkingkosten van polder tot polder sterk uiteen liepen.
De nieuwe polders kwamen door privé initiatief en met privé kapitaal tot stand. Een jarenlange hausse in de economie zorgde voor alsmaar oplopende grond- en pachtprijzen en voor de investeerders lokte het perspectief van een aantrekkelijk rendement. Aan de hand van de verkregen resultaten wordt duidelijk dat de geldschieters in de nieuwe polders lang niet overal aan hun trekken kwamen.
Donderdag 10 december - 19.30 uur
Lezing 'De trekschuit in Waterland' door John Déhé
Op donderdag 10 december geeft John Déhé bij de tentoonstelling ‘Stap in! Vier eeuwen onderweg in Noord-Holland' een lezing in het Stedelijk Museum Alkmaar over de ‘Trekschuiten in Waterland'. De lezing start om 19.30 uur en kaarten zijn verkrijgbaar via het museum.
In juni 2005 verscheen "Een slaafsch en ongezond bedrijf" van Déhé, een onderzoek naar de geschiedenis van het oudste openbaar vervoer in Waterland. Het gaat vooral om de schippers van de trekschuiten, die vanaf 1660 bijna tweehonderd jaar lang het reizigersvervoer verzorgden tussen Amsterdam en Hoorn, over de steden Monnickendam, Edam en Purmerend. Die trekschuitschippers werkten samen met de schippers van het Buiksloterveer, die de oversteek van het IJ verzorgden. In de lezing staan de schippers met hun trekschuiten centraal. Ook de trekschuitverbinding tussen Hoorn-Alkmaar zal aandacht krijgen.

(detail tekening, De Friese buitenpoor met ophaalbrug en hamei met trekschuit en jager, 1809, vervaardiger O. Rondhout, coll. Regionaal Archief Alkmaar)
Donderdag 26 november 2009- 19.30 uur
Lezing 'Het Spoor dat naar Bello leidt'
door Bob de Mon
Bob de Mon, secretaris van de Model Spoorclub Alkmaar en schrijver van historische verhalen in het Alkmaars Weekblad, neemt u met zijn lezing ‘Het Spoor dat naar Bello leidt' mee vanaf het moment dat er voor het eerst in de geschiedenis over het spoor wordt gerept tot en met 31 augustus 1955, de dag waarop de stoomlocomotief Bello voor het laatst tussen Bergen aan Zee en Alkmaar reed. Hij doet dat aan de hand van een groot aantal oude prenten en foto's.
De lezing bestaat uit twee delen. In het eerste deel wordt kort ingegaan op de voorgeschiedenis van de stoomtrein en wat uitgebreider op de introductie daarvan. Een proces dat niet zonder de nodige perikelen gepaard ging. Beginnend bij het eerste door stoom voortbewogen voertuig, voert zijn reis via de opening van de eerste spoorlijn in Nederland in 1939 en de eerste spoorverbinding van Alkmaar in 1865 naar de oprichting van de huidige Nederlandse Spoorwegen.
In het tweede deel van zijn lezing zal hij ingaan op de betekenis van regionale Nederlandse stoomtrams in het algemeen en die van de stoomtrams in en om Alkmaar in het bijzonder. Daarvan is in deze regio de tramverbinding tussen Alkmaar en Bergen aan Zee de meest bekende. Dat komt volgens Bob de Mon louter omdat de legendarische locomotief Bello bewaard is gebleven. Maar heeft Bello wel zo'n prominente rol gespeeld als velen wel denken? Bob de Mon gaat wat uitvoeriger in op de geschiedenis en de rol van deze stoomlocomotief, die nu het trotse paradepaardje van de Museum Stoomtram Hoorn-Medemblik is.

Naar kalender


